Stil, jongens, Jan Berns vertelt ... terug naar overzicht

Vertelling 3                  -        Snelheid en efficiency

 

Zes jaar Uden en slechts één keer een sterfgeval meemaken. Het moet een gezond en krachtig convent geweest zijn in Uden tussen 1951 en 1957. Broeder Jan kenden we enkel uit de kapel en van gebeurtenissen waarbij het hele convent aanwezig was. Hij hoorde niet tot de staf van het College, zoals broeder Karel, de ziekenbroeder en broeder Fons, de kok. Hij was luidruchtig ziek, onze broeder Jan, want argeloze voorbijgangers en ook wij studenten konden op gezette tijden een barre kreet horen en die kwam van de eerste verdieping van het klooster, vanuit een kamer dichtbij de kapel: H O N G E R. schalde het dan over het Lieve Vrouwenplein. Het was de stem van broeder Jan in zijn laatste levensweek.

Dat hij gestorven was vernamen we via meneer Coenen die op de gebruikelijke wijze zijn entree in de klas maakte voor de wiskundeles en riep: ‘Jongens, ga in godsnaam nooit dood in een klooster, ga nooit dood in een klooster’. Ik zie hem nog zitten met zijn hoofd tussen zijn handen. Het was een wat eigenaardige raad, want de meesten van ons wilden toch wel eens in een klooster terechtkomen en het liefst tot het einde hunner dagen. Achteraf werd duidelijk dat de gevoelsmens Coenen het moeilijk had gehad met de wijze waarop broeder Jan was gestorven.

Gedurende drie dagen werd de hele rozenkrans gebeden voor de dierbare overledene, niet de gebruikelijke vijf maar vijftien tientjes en dat alles moest in de korte tijdsspanne tussen potus en grote studie. Wat bleek? Voor alles was er een expert, ook voor snelbidden. Niemand anders dan die goeie Pa de Wilt verstond die kunst. Vanaf de preekstoel bad hij voor in een razend tempo, maar afraffelen kon men het niet noemen. Op de dag van de begrafenis kregen we zwarte pudding; dat was kennelijk onderdeel van een vaste kloosterlijke folklore. Het was dikke rijstepudding waarvan de normale laag bruine basterdsuiker door een  heel donker soort was vervangen en in verbinding met vocht werd dat een zwart laagje.  Echte rouwpudding.

Snelheid en efficiency waren ook geboden op grote en belangrijke kerkelijke feestdagen. Als zo’n overvolle kapel massaal ter communie ging, moesten er maatregelen getroffen worden om tijdig met de dienst klaar te zijn. Terwijl de celebrant en zijn assistenten op plechtige wijze naar de communio toewerkten, verscheen de expert snel communie uitreiken in de persoon van R.D. Gielissen. Met een onvoorstelbare handigheid en ongelofelijke snelheid voorzag hij elke uitgestoken tong van de H. Teerspijze, zonder ook maar iets of iemand te raken. Het was alsof hij de hostie gooide, vanuit een losse pols. Bij de eerste tong hoorde je hem fluisteren: ’Corpus …’ en als hij beide communiebanken langs was gerend bij de laatste: ‘… in vitam aeternam. Amen’. En zo maar door, tot iedereen voorzien was.

Tot in de jaren vijftig leken de mis bijwonen en ter communie gaan wel twee gescheiden grootheden; het idee van samen de maaltijd vieren leerden we pas kennen na de misweken van de Witheren uit Heeswijk. Soms ging men zover, dat de communie vóór de Mis alvast werd uitgereikt, als dat beter uitkwam. Jarenlang was het ook  toegestaan heiligenlevens of andere stichtelijke lectuur te lezen tijdens de H. Mis en met behulp van je missaal de priester zoveel mogelijk volgen was ook toegestaan. Biechten bij een van zes beschikbare biechtvaders deed je trouwens ook als je toch in de kapel was om de mis bij te wonen.

Het ging natuurlijk om het sacrale gebeuren, dat zich daar in het priesterkoor afspeelde, daarbij was je aanwezig en dat onderging je. Tegelijkertijd was je op  gezette tijden zeer nauw bij dat sacrale gebeuren betrokken als misdienaar en leerde je de nukken en eigenaardigheden der verschillende celebranten kennen, zoals het ‘dat flink, dat weinig’, van de vrome prior Vergeer als je wijn en water in de opgehouden kelk moest schenken uit die sierlijke ampullen. Anderen lieten op zo’n moment hun ongenoegen merken door keihard met de kelk tegen de betreffende ampul te stoten.

Of meneer De Groot (Appie) die altijd ‘Oratres fratres’ zei, of de corpulente meneer Francino die op een hete zomerdag na het ‘mea maxima culpa’ uitriep: ‘Gooi die deur open’, doelend op de deur achter het hoogaltaar, vanwaar hij verkoeling verwachtte. Voor een misdienaar  had de mis zo zijn eigen hoogtepunten.

Maar ook als zanger was je op een heel andere manier bij het sacrale gebeuren betrokken. Natuurlijk, de retraitepater had je geleerd dat zingen dubbel bidden was en dat kwam goed uit, want je ogen waren toch vooral gericht op meneer Brouwers en het altaar was toch wel heel ver weg.

Druk was het tijdens zo’n zondagse hoogmis. Broeder koster ventte met kaarsen en na de preek werd er door twee broeders ijverig gecollecteerd, waarbij naast de buil met het belletje ook een groot formaat zilverkleurige centenbak de ronde deed met een holle steel. Telkens als een bank was afgewerkt ging die centenbak omhoog en met een ratelend geluid verdwenen de munten dan in die steel en dat van bank tot bank, de hele kapel door.
Ondertussen zette de celebrant door niets gestoord de dienst voort.

 

Juni 2008/Jan Berns